In westerse landen is genderongelijkheid in het hoger onderwijs in de afgelopen decennia sterk afgenomen als gevolg van het toenemend aantal vrouwen dat aan het hoger onderwijs deelneemt (Buchmann, DiPrete & McDaniel, 2008; Jacobs, 1996; OECD, 2012). Vrouwen hebben zelfs de achterstand op hun mannelijke studiegenoten in sommige disciplines, zoals de sociale wetenschappen, landbouwwetenschappen, wiskunde en statistiek, ingelopen. Hoewel dit per land verschilt, zijn vrouwelijke studenten in tal van disciplines nu in de meerderheid (zie OECD, 2012). Over het algemeen is er sprake van een omkering van de situatie waarin vrouwen in de minderheid waren in het onderwijs (Buchmann et al., 2008; Jacobs, 1996). In Nederland is dit zeker het geval. In 2008/2009 studeerden meer vrouwen dan mannen af in het hoger onderwijs (gemeten naar het aantal bachelordiploma’s in het hoger beroepsonderwijs en het aantal bachelor- en masterdiploma’s in het wetenschappelijk onderwijs (CBS, 2012)). Deze omkering wordt door het Sociaal en Cultureel Planbureau als volgt omschreven: ‘Meisjes behalen al jaren een hoger onderwijsniveau dan jongens. Wat onderwijs betreft heerst daardoor het gevoel dat de emancipatie voltooid is’ (Merens, Brakel, Hartgers, & Hermans, 2010, p. 38).

 

(Fulltext available in Dutch)

Yerkes, M., Sonneveld, H., & Van de Schoot, R. (2012). Genderongelijkheid in het Nederlandse promotiestelsel: Een verkennend onderzoek. [Gender Inequality in the Dutch PhD system: An exploratory study]. Tijdschrift voor Genderstudies, 3, 7-23.